|
vzw LIV&E Vollezele, 14 september 2011.
Repingenstraat 92 A
1570 Vollezele
AANGETEKEND.
Aan de heer Philippe MUYTERS, Minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening
Phoenix gebouw, 11 de verdieping
Koning Albert II laan 19
1210 Brussel.
Onderwerp: zonevreemde woningen-onduldbare discriminerende wettelijke bepalingen-Vlaanderen als rechtstaat onwaardig.
Mijnheer de Minister,
De vereniging Leven in Vlaanderen & Europa (vzw LIV&E) is pluralistisch ingesteld en heeft als statutair doel het informeren, het ondersteunen, en het behartigen van de belangen van de inwoners van Vlaanderen op het gebied van ruimtelijke ordening, Leefmilieu en Natuur, Landbouw, samenleving en erfgoed.
Sinds de invoering van de gewijzigde wet op de stedenbouw en de ruimtelijke ordening op 29 maart 1962 en de geleidelijke regionale opmaak, tijdens de jaren '70-'78 bij koninklijk besluit van de gewestplannen werden de voorheen rechtsgeldig bestaande woningen, opgericht overeenkomstig de toenmalig geldende regelgeving, als zonevreemd omschreven, met als gevolg de invoering van het zo gehate wettelijk georganiseerd uitdoofbeleid dat in de jaren tachtig en negentig, na de afschaffing van het zogenaamde versoepelend minidecreet, hoogtij vierde. Aan de bedoelde woningen mochten enkel en alleen nog instandhoudingswerken worden uitgevoerd.
Dramatische gevolgen voor de eigenaars van de zonevreemde woningen vermits ze niet meer over een gewaarborgde voortdurende ononderbroken rechtszekerheid konden beschikken tot behoud van hun woning en daardoor in hun woning niet meer durfden te investeren om eigentijds te wonen. Zelfs niet langer de kans kregen om hun woning tegen verval en teloorgang te behoeden. (zie bijlage nr 1 schrijven 31 maart 2006)
Bovendien werd tijdens de hierboven vermelde jaren een ware heksenjacht ontketend om inzonderheid na te gaan of de bij de zonevreemde woningen gebouwde aanhorigheden wel degelijk voor 1962 werden gebouwd. De verificatie geschiedde, bij gebreke aan een juridisch plan ter zake - wat in sommige buurlanden wel het geval is - op basis van het kadastraal fiscaal geregeld plan, meer bepaald of de bedoelde aanhorigheden al dan niet op dit plan waren aangeduid. Gevolg van deze foutieve benadering of onnadenkendheid van de overheid zijn vele eigenaars van zonevreemde woningen de dupe of het slachtoffer geworden.
Terloops dient aangestipt dat de administratie van het kadaster een fiscale administratie is die vooral in functie van de fiscaliteit werkt. De opgerichte aanhorigheden moesten een bepaalde kadastrale waarde bereiken om in het kadastraal inkomen en documenten van het eigendomsperceel opgenomen te worden. Een opmeting werd wel bewaard in de bestaande schattingsdocumentatie. Die bedoelde aanhorigheden werden soms jaren later als de opbouw ervan, op het kadastraal plan getekend.
De jaren 1955 tot 1962 waren in dit verband heel bijzonder. De perequatie van de kadastrale inkomens moest doorgaan op 1 januari 1955. De kadastrale documentatie met de nieuwe te notificeren kadastrale inkomens werden klaar gesteld om geldig te zijn met ingang van 1 januari 1955. Jaar na jaar werd de perequatie tot in 1962 uitgesteld. Enkel volledig nieuwe bebouwde percelen werden aan de geperequateerde documentatie toegevoegd. Vergrotingen enz. met bijgebouwen aan voorheen bestaande woningen werden niet in die documentatie opgenomen.
De bedoelde aanhorigheden werden naar gelang van een en ander veel later of zelfs nooit op het kadastraal plan overgebracht.
De VZW heeft veel medeburgers moeten bijstaan omdat geëist werd de bewijzen van opbouw van de bedoelde aanhorigheden voor te leggen. Het verdict was: " Geen bewijs dat de aanhorigheid werd opgericht voor 1962 stond gelijk met een bouwmisdrijf."
Kortom het kan niet dat de burger ter zake de bewijzen moet naar voor brengen, de kosten ervan moet betalen, en bovendien dan nog afhankelijk is van de betrokken ambtenaar die beslist of hij al dan niet de nodige opzoekingen wil doen.
De tijdens die jaren bestaande wettelijke discriminerende regelgeving was ontegensprekelijk voorbereid door beleidsmensen met een ongebreidelde tunnelvisie, die geen rekening hielden met andere fundamentele rechtsbepalingen of rechtsprincipes, met name het eigendomsrecht en de fundamentele rechten van de mens op een volwaardig woonstatuut.
Het toenmalig massaal georganiseerd uitdoofbeleid heeft geleid tot een teloorgang en een ontmanteling van het leefklimaat en de solidariteit in buurten en dorpen in buitengebied.
Daardoor werd de functionele verweving van de eenmansbedrijfjes en het kleinbedrijf inzake bevolkingsvolgende activiteiten teniet gedaan, met nefaste gevolgen op sociaal, economisch en ecologisch gebied alsook op het gebied van veiligheidsvoorzieningen.
Het buitengebied was een bron tot ontwikkeling van de bedoelde bedrijfjes die na de opgedane ervaring de opstap konden doen naar KMO's in gewestelijke zones.
Een uitdoofbeleid is volgens de rechtsnormen van het Europese Hof van de mensenrechten in realiteit een brutaal confiscatiebeleid, dat bovendien in Vlaanderen, ook nog tot een faillissement van de vastgoedsector zou geleid hebben, wat nu niet meer kan betwist worden gelet op het oninhaalbaar schrijnend tekort aan woningen.
Het gewijzigd decreet Ruimtelijke Ordening van 1999 bracht na een hevig georganiseerd protest, gelet op de toegelaten herbouw enz. enigszins een versoepeling. Ook de codex ruimtelijke ordening heeft een verdere versoepeling van decretale regelgeving ingevoerd, maar camoufleert dat wanneer bouwwerken niet meer voor de afgifte van een bouwvergunning in aanmerking komen, de vrijgekomen van oudsher volstrekt legale bouwgrond niet meer aan het marktmechanisme als bouwgrond kan worden onderworpen wat resulteert in "DE FACTO CONFISCATIE".
Een totaal verwerpelijke discriminatie van de bedoelde eigenaars. De vermogensschade voor die eigenaars is enorm.
Hoewel de vorige minister van ruimtelijke ordening met overtuiging, in zijn persmededeling bij circulaire d.d. 29 maart 2003, zomaar beweert dat de rechtszekerheid van 125 000 tot 150 000 zonevreemde woningen werd hersteld, moet de vzw LIV&E deze bewering radicaal tegenspreken.
Uit een tijdens het jaar 1996 uitgewerkte studie bestonden toen in Vlaanderen in totaal 788448 bewoonde particuliere woningen waarvan 183109 in verspreide bebouwing of 23.22%
Het bestuur van de vzw LIV&E meent dan ook, gesteund door haar leden, er te mogen op wijzen:
- dat de jarenlange wettelijke discriminerende regelgeving het sociaal, het economisch, het ecologisch weefsel en tevens het beveiligend weefsel inzake de bevolkingsvolgende activiteiten, met name het eenmansbedrijf en kleinbedrijf, gevestigd in buurten en dorpen of buitengebied volledig heeft ondermijnd of te niet gedaan.
- dat het succes van het bestemmingsbeleid, zowel van het provinciale als van het gewestelijke, uiteindelijk goeddeels afhankelijk is en blijft van een geïnspireerde lokale invulling van eenmanszaken en kleinbedrijf in buurten, dorpen en buitengebied ten behoeve van alle directe bevolkings volgende noden en activiteiten, niet beperkt tot deze met een direct of indirect agrarisch verband.
- dat de bedoelde lokale invulling en kleinbedrijf moet uitgaan naar een correcte visie met duurzame effecten, en niet naar een soort depannagebeleid voor dringende individuele problemen met de tijdelijke verlenging van de vergunning als type oplossing.
- dat nog steeds, na de invoering van de geëvolueerde wetgeving, de aanvragen tot de vestiging van een commercieel-ambachtelijk kleinbedrijf of eenmanszaak of logistieke activiteiten, om de buurt of dorp op de meest doeltreffende wijze leefbaar, (eigentijds wonen, werken, leven en ontwikkeling) te maken, worden afgewezen om reden dat er geen verband is met de agrarische bestemming.
- dat zonder een aanbod van een minimum assortiment van een eenmansbedrijf en of kleinbedrijf, met een ononderbroken voortdurende rechtszekerheid ter zake, de verdere teloorgang van bedoelde buurten en dorpen niet kan worden gestopt, waarvan al voorbeelden in de pers werden geschetst.
- dat de bedoelde functionele verweving geordend en inspirerend in of om de bestaande buurt, dorp of het buitengebied moet worden ingevuld.
- dat de passende ingebreide vestigingen van handelsbedrijfjes samen in wisselwerking met de regionale of gewestelijke KMO's, zoals bewezen in het verleden, succesvol zijn in de aanbieding van innoverende producten en diensten, waarbij het economisch draagvlak wordt verbreed en gestabiliseerd.
- dat weliswaar om die doelstelling te bereiken ook het eigendomsrecht als fundamenteel recht overeenkomstig de bepalingen van art. 544 BW moet worden hersteld en uit de deductie van die wetsbepalingen moet dit worden hersteld voor het algehele grondgebonden onroerend goed, dus voor het gebouw en de grond waarop het werd opgericht.
- dat vooral de voor 29 maart 1962 gebouwde of aanwezige woningen in buitengebied het slachtoffer zijn van de bedoelde discriminerende wetgevende bepalingen zelfs nu nog na de invoering van de Codex Ruimtelijke Ordening.
- dat bedoelde woningen grotendeels in eigendom zijn van overwegend minder vermogenden die, mede door uitzonderlijke sociale, familiale en financiële omstandigheden of langdurige rechtszaken ingevolge scheidingen en inbreng in huwelijkscontracten, erfenissen en verdelingen of nog contractuele of wettelijke gevestigde zakelijke rechten op de eigendom, soms het verval van hun woning niet kunnen voorkomen en daardoor de opgelegde termijnen tot herstel of renovatie niet kan worden opgevolgd. De ondervinding leert dat de bevoegde jacht makende administratie meteen een schrijven richt naar de eigenaar dat de betrokken eigendom zal opgenomen worden in de inventaris van de leegstand of verwaarloosde gebouwen. De feitelijke toestand is bepalend of het gebouw op de "verkrottingslijst" zal worden opgenomen wat in concreto zal leiden tot een weigering van de vergunning tot renovatie of herbouw. Bij ondervinding heeft de vzw LIV&E geleerd dat met de genoemde omstandigheden geen rekening wordt gehouden.
- dat deze stringente, onverantwoorde en onmenswaardige regelgeving de gemoedsrust van de gedupeerden pijnigt, te meer nog dat daardoor de renovatie of herbouw niet meer kan worden vergund en zij bovendien nog de wettelijke discriminatie moeten ondergaan dat hun bebouwde grond niet meer met de kwalificatie "bouwgrond" zal kunnen worden verhandeld. De vermogensschade voor de betrokken eigenaars is enorm. Ook de psycho-medische gevolgen moeten desastreus zijn. Landelijke leefgemeenschappen worden uiteengerukt met bovendien een economische verspilling en een opdrijving van de bouwgrondprijzen. In 2006 stelde de Minister uitdrukkelijk "Echt verkrotte gebouwen wil men niet meer laten bestaan".
Akkoord, maar dan moet het recht op een vergunde herbouw worden toegestaan, en mag het beschikkingsrecht, dat deel uitmaakt van het eigendomsrecht, van de eventueel vrijgekomen grond als "gekwalificeerde bouwgrond" aan de eigenaar niet worden ontnomen zodat hij de marktwaarde van zijn effectieve bouwgrond behoudt.
- dat buren die een woonkavel verworven hebben op basis van een vergunde verkaveling welke later, bij het definitief worden van de gewestplannen, zijn opgenomen in buiten of ruraal gebied of nog, buren die een woonkavel via een vergunde verkaveling of via een uitgereikt stedenbouwkundig attest verworven hebben, bij toepassing van de opvulregel, over een evenwaardig woon-en eigendomsstatuut beschikken als in de woonzone, vermits de authentieke akte overeenkomstig de geldende regelgeving een bouwgrond overdraagt, akte die na registratie (vaste datum) wordt overgeschreven op de hypotheek bewaring, derhalve met tegenstelbaarheid aan derden. Een vorige minister heeft tijdens de jaren 1993-1994 na of bij de afschaffing van de opvulregel, een onverantwoorde drastische maatregel genomen houdende een bouwverbod op alle "bouwgronden" verkregen bij authentieke akte opgemaakt op grond van een uitgereikt stedenbouwkundig attest nummer 2. Welnu, tegen deze genomen maatregel heeft onze toen nog samenwerkende personenvereniging, vele gegronde bezwaren (zie bijlage nr 2) ingediend bij de heer Gouverneur en het kabinet van de heer Minister, met als gevolg dat de heer Minister zijn onverantwoorde maatregel heeft moeten intrekken en de betrokken eigenaars in het gelijk werden gesteld om te bouwen op de aldus verworven bouwgronden.
- dat bij de dienovereenkomstige verworven en bedoelde bouwgronden als zodanig bij authentieke akte verleden, een onbetwistbare voortdurende ononderbroken rechtszekerheid wordt ingebouwd om te allen tijde een nieuwe bouwvergunning te verkrijgen, ook in geval van verkrotting met de waarborg de bouwgrond die vrijgekomen is terug als bouwgrond op de markt te kunnen aanbieden, tenzij een onteigening mits een billijke schadeloosstelling in het algemeen belang wordt doorgevoerd.
- dat de stedenbouwkundige motivatie tot invoering van de opvulregel met toelating tot het verkavelen in bouwkavels met nieuwbouw werd ontleend aan de aanwezigheid van naastliggende reeds bestaande woningen die destijds volstrekt legaal werden gebouwd op grond van de toenmalige wetgeving en bovendien ook nog werden vergund sinds de invoering van de besluitwet van 2 december 1946, betreffende de stedenbouw, gewijzigd bij de wet van 1959.
- dat het psychologisch en sociaal onverteerbaar is dat de "langst" aanwezige woningen bewoond of in bezit van overwegend minder vermogenden in een situatie worden gedrukt waarbij zij worden veroordeeld tot een drastisch discriminerend en onmenselijk vermogensverlies, inzonderheid wanneer onvoorziene omstandigheden zoals hierboven reeds is gesteld, het gezin treffen en daardoor hun woning niet meer kunnen onderhouden tot verkrotting optreedt, een nieuwe bouwvergunning wordt geweigerd en hun waardevolle vrijgekomen of vrij te komen bouwgrond zo maar wordt verbeurd verklaard.
- dat de eigenaars van die oudste voor 1962 opgerichte woningen, zoals hiervoor werd aangetoond wel degelijk volstrekt legale woningen hebben aangekocht of gebouwd, op volstrekt legale bouwgronden overeenkomstig de toenmalige wetgeving, wordt bijkomend ook nog bewezen door de bij authentieke akte verkregen leningen op grond van de hypothecaire inschrijving die tegenstelbaar is aan derden, derhalve ook tegen de overheid. Indien het wezenlijk openbaar nut primeert moet de overheid voorzien in een billijke schadeloosstelling wat niet geschiedt.
- dat derhalve besluitend moet worden gesteld dat alle woningen in het buitengebied, normalerwijze vergund zijn. De woningen van voor 1946 uiteraard op grond van een algemeen regelende wetgeving terwijl alle later gebouwde woningen op basis van meer specifieke regelgevingen werden vergund. Dit geldt evenzeer voor de in kwetsbaar gebied gelegen woningen.
- dat inzonderheid dient gewezen op het feit dat de uitgereikte vergunning tot het bouwen van een constructie of woning op een grondkavel, zakelijk, substantieel en grondgebonden samenhangt met de grondkavel en derhalve, de verkregen vergunning de geacteerde overdracht volgt naar een andere eigenaar.
- dat het meteen duidelijk is dat het weigeren van een vergunning tot herbouw op de woonkavel van een op de verkrottingslijst opgenomen verwaarloosde woning, de kwalificatie van het bouwperceel, desgevallend reeds opgenomen in een authentieke akte van eigendomsoverdracht met verplichte overschrijving op de hypotheek- bewaring niet kan teniet doen. Het ontnemen van die verkregen kwalificatie om de aangegeven redenen zonder schadeloosstelling is een disproportionele maatregel die strijdig is met het Europees Verdrag voor de mensenrechten.
- dat een persmededeling d.d. 29 januari 2003 van de toenmalige bevoegde Minister ter kennis brengt dat decretaal rechtszekerheid werd verleend aan de zonevreemde woningen elke grond mist. De vzw LiV&E stelt vast dat sommige bevoegde schepenen van gemeenten dat ook beweren en als zodanig opnemen in de begeleidende teksten van de structuurplannen. Politiek Vlaanderen op zijn best.
- dat in bepaalde gevallen de overheid het voorrecht heeft het openbaar nut te laten voorgaan op het privaat eigendomsrecht. Maar dit voorrecht is allerminst een absoluut en onbeperkt recht. In de hiervoor aangehaalde gevallen van de langst bestaande zonevreemde woningen waarbij door menselijke fouten of stringente regelgeving inzake verkrotting de kwalificatie bouwgrond aan de grond wordt onttrokken zonder billijke vergoeding volgens de marktwaarde, moet worden gezegd.
- dat de bedoelde handelswijze van de overheid volledig indruist tegen de verdragen van de rechten van de mens en de uitspraken ter zake van het Europese Hof.
- dat de overheid de fundamentele eigendomsrechten van de zonevreemde woningen of beter, van de woningen in buitengebied discriminerend retroactief heeft afgebouwd en hergedefinieerd toen deze woningen er al zeer lang stonden.
- dat de schade die veroorzaakt werd en wordt door het uitdoofbeleid, aan de traditionele leefgemeenschappen van de landelijke bevolking moet worden hersteld. Landelijke leefgemeenschappen zijn harmonieuze samenlevingsvormen op mensenmaat met een effectieve lokale solidariteit en waar de dynamiek van het Vlaamse beginnende ondernemerschap gestalte kreeg om later, met opgedane ervaring de opstap naar een groter regionaal bedrijf te riskeren.
- dat door het nog bestaand uitdoofbeleid het biotoop vernietigd wordt van een verscheidenheid aan diersoorten die duidelijk de voorkeur geven aan een leefomgeving in de nabijheid van landelijke woningen dan aan de "open ruimte".. Koolmees, lijsters, merels, pimpelmees, huiszwaluw .... hebben in de tuinen van landelijke woningen hun ideale biotoop en broedplaatsen gevonden. Deze diersoorten blijken de gevarieerde omgeving van natuurlijk groen in de nabijheid van landelijke woningen te prefereren boven de monocultuur van dikwijls met chemicaliën behandelende landbouwgebieden.
- dat door die ingevoerde en nog bestaande regelgeving de bewoners niet durven te investeren in hun woning en grond zoals het isoleren van hun woning, het plaatsen van zonnepanelen, de thans reeds aangeboden horizontaal draaiende windmolens, het beheren van de waterhuishouding en het plaatsen van warmtepompen waarvoor in delen van het bouwterrein technologische uitrustingen dienen te worden gerealiseerd. Het mogelijke verlies van de" bouwgrond" verhindert het besluit om dergelijke investeringen te doen.
Nochtans is het buitengebied bijzonder aangewezen en doeltreffend voor het efficiënt opwekken van groene energie.
- dat het meteen duidelijk is dat de zonevreemdheid van gebouwen en constructies dringend moet worden afgeschaft en het eigendomsrecht overeenkomstig art. 544 van het BW moet worden hersteld. Zulks impliceert een herstel van de rechten van gebruik, beschikking, realisatiewaarde en verkoopbaarheid of overdraagbaarheid. De term "zonevreemd" heeft bovendien een pejoratieve betekenis voor de eigenaar die als zonevreemde Vlaming wordt aangewezen. Het betreft hier gewoon woningen in buitengebied die daar destijds verantwoord en wel doordacht zijn gebouwd omdat de bewoners ervan in dit buitengebied konden leven, veilig wonen, ontspannen en werken zonder verre verplaatsingen. Het zijn de bewoners in buitengebied die de natuurlijke omgeving bewaren, versterken, en geregeld verzorgen.
Het uitdoofbeleid:
- heeft manifest asociale gevolgen
- is een immense grote economische verspilling
- veroorzaakt economische schade
- duwt mensen in ongunstige leefsituaties
- vernietigd de ontwikkeling van volwaardige KMO's die het vermogen hebben een algemene evenwichtstoestand, zowel economisch als sociaal te stabiliseren
- veroorzaakt een thans oninhaalbaar woning tekort ( 500000 meer Vlamingen in 2020)
- veroorzaakt een schrijnend tekort aan bouwgrond
- geeft aanleiding tot het bouwen van woningen in overstromingsgebieden
- veroorzaakt de teleurgang van het Vlaamse dorp
- vernietigt de aldaar zo noodzakelijke kleinbedrijven
- verbiedt de splitsing van te grote woningen in twee woningen
- enz.
De vzw staat niet voor grote uitbreidingen van buurten en dorpen maar voor een volwaardig herstel van harmonieuze en leefbare samenlevingsvormen (wonen, werken, leven in veiligheid en ontwikkeling). Daartoe dient de passende infrastructuur terug te worden toegelaten.
De vzw en haar leden vragen dan ook dat de aangekaarte wantoestanden inzake rechtszekerheid en de discriminerende decretale regelgeving inzake de zonevreemde woningen dringend te laten afschaffen.
Als vereniging die de burgers vertegenwoordigt, zouden wij het ten zeerste op prijs stellen mocht u ons de kans bieden onze standpunten nader toe te lichten aan een van uw medewerkers.
Wil aanvaarden , Mijnheer de Minister, de betuiging van onze bijzondere hoogachting.
Namens de Raad van Bestuur,
De Voorzitter.
Arthur CAYTAN
Vzw LIV&E 31 maart 2006
Repingenstraat 92
1570 Vollezele
Kabinet van de Vlaamse Minister
AANGETEKEND Van Financiën en Begroting
En Ruimtelijke Ordening
Dirk Van Mechelen
Phoenix-gebouw
Koning Albert II Laan 19
11de verdieping
1210 Brussel
Onderwerp: Beleidsprioriteiten 2006.
Problematiek stedenbouw
Geachte heer Minister,
Met dank voor uw brief van 13 februari 2006, n° K09-I05-9794 waarbij u meldt dat het u voorgelegde dossier zal worden onderzocht en ter zake uitsluitsel zal worden verstrekt.
Na onderzoek en overleg met onze leden, eigenaars van zonevreemde woningen, moeten we stellen dat het voor deze mensen ondraaglijk en onuitstaanbaar is, niet over een gewaarborgde voortdurende rechtszekerheid te beschikken zodat zij, wegens het gepland of met opzet georganiseerde uitdoofbeleid, niet meer in hun woning mogen of durven investeren om er eigentijds in te wonen, zelfs niet langer de kans krijgen om hun woonst tegen verval en teloorgang te behoeden.
Zoals reeds gesteld in ons vorig schrijven is de stedenbouwkundige uitholling van evidente gebruiks- en beschikkingsrechten in strijd met de opgelegde kwaliteitsnormen van de woningen, vastgelegd in de Vlaamse wooncode.
In de persmededeling van de Vlaamse regering op 6 oktober 1998 werd onder meer gesteld: “Woningen die tekortkomingen vertonen, krijgen strafpunten naar gelang van de aard en de schaal van de gebreken Het verhuren van een niet conforme woning is strafbaar.”
Een weigering van een stedenbouwkundige vergunning voor de realisatie van de stabiliteits of kwaliteitsnormen (isolatiewerken, plaatsen van zonnepanelen, funderingswerken,…) van een zonevreemde woning is derhalve in strijd met de Vlaamse wooncode onafhankelijk van de ligging van de woning.
Welnu geen enkel rechtsprincipe is absoluut, ook de stedenbouwkundige bepalingen ter zake niet. Geen enkel rechtsprincipe kan beoordeeld worden zonder rekening te houden met andere opgelegde rechtsprincipes die samen daarmee de grondslag van de nationale juridische orde vormen, en vandaar het evenwicht in de samenleving.
Hieruit volgt ook dat de draagwijdte van het principe van de éénjarige geldigheid van een stedenbouwkundig attest n°2 (zie ook onze voorgaande brief) moet beoordeeld worden binnen de juridische context van ons wettelijk stelsel.
Als dit stedenbouwkundig attest n°2 tijdens zijn geldigheid aan de basis ligt van een authentieke contractuele verkoopshandeling of eigendomsovergang heeft dat verdragende rechtsgevolgen op grond van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.
Deze rechtshandeling heft het verval op, zo niet wordt de openbare orde geschaad.
Er is trouwens nergens bepaald dat een stedenbouwkundig attest n°2 niet tot grondslag mag dienen van daden van beschikking of verbintenissen.
Hoe dan ook de gewaarborgde voortdurende rechtszekerheid kan maar gerealiseerd worden door het invoeren van een juridisch omschreven zakelijk grondgebonden woon-, gebruiks- of uitbatingsrecht (zie ons voorgaand schrijven).
Verder moet de problematiek worden ter sprake gebracht van de opgelegde stedenbouwkundige voorschriften die vóór de verkoop van het eerste lot verplichtend authentiek zijn vast te leggen in een verkavelingsakte ( niet voor sociale woningen ). Hierdoor ontstaat een collectieve verkavelingsgebondenheid tussen de kopers wat tot spanningen en ruzies leidt vooral dan wanneer er een strikte beperking of een verbod wordt opgelegd van het plaatsen van bijgebouwen of gebouwde aanhorigheden en hiervoor dan een wijziging van de verkavelingsvergunning met akkoord van al de eigenaars van de kavels moet worden aangevraagd, wat voor heel wat stress en ongenoegen zorgt en door de betrokkenen als een pestregelgeving wordt aanzien.
Een gebouwde aanhorigheid, bergplaats, veranda enz. vindt zijn reden van bestaan in een hoofdgebouw waarvan het de gerieflijkheid verhoogt of het gebruik voor een bepaalde bestemming mogelijk maakt en is derhalve heden ten dage onmisbaar.
De vraag rijst dan ook om welke beweegredenen de bedoelde verkavelingsakte werd ingevoerd. Waarom die bijzondere collectivisatie bij authentieke titel waardoor elk persoonlijk initiatief tot een optimaal gebruik van zijn eigendom vooreerst aan het akkoord van de overige eigenaars van de kavels dient onderworpen.
Uit hoofde van de aangevoerde argumentatie menen wij dat de geregistreerde verkavelingsakte die overgeschreven wordt op de hypotheekbewaring leidt tot een negatieve verwerpelijke collectivisatie.
Dit leidt tot verwarde toestanden in een omgeving en geeft ruzies en spanningen onder buren. Bovendien leidt het aanvragen van een wijziging van een verkavelingsvergunning tot zware uitgaven en onoverkomelijke discussies en ruzies.
Vermits de stedenbouwkundige voorschriften telkens in hun geheel overgenomen worden in alle verkoopsakten stellen wij voor deze niet meer op te nemen in de verkavelingsakte en de verkavelingsakte af te schaffen. Daardoor wordt de discriminerende toestand tussen eigenaars, kopers van alleenliggende percelen en de andere bedoelde eigenaars afgeschaft. Bovendien wordt de vrijheid van handelen rechtstreeks met de overheidsdiensten hersteld.
Gelet op het feit dat de bijgebouwde aanhorigheden eigentijds onmisbaar zijn zou het zo moeten zijn dat, mits een voorafgaand op te maken passende regelgeving, de uitgereikte vergunning van het hoofdgebouw geacht wordt zo te zijn opgesteld dat zij de bouw van bijkomende aanhorigheden (bergplaats, garage) inhoudt.
Bij plaatsing van deze aanhorigheden lijkt ons de meldingsplicht voldoende, met uiteraard een link naar de hoofdvergunning van de woning.
Meteen een kostenbesparende en een vereenvoudigde administratieve werkwijze en te realiseren zonder burendiscussies. Door deze maatregel zou het ook mogelijk zijn de meeste bouwmisdrijven in een minimum van tijd op te lossen.
Hopende op enkele opmerkingen van uwentwege tekenen wij met de meeste hoogachting.
Voorzitter Secretaris
Arthur Caytan Tine Vierendeel
STANDAARDBRIEF
AANGETEKEND
Aan de heer Gouverneur
Voorzitter van de Bestendig Deputatie van de Provincie
Mijnheer de Voorzitter,
Ik ondergetekende ......................................................., ben zo vrij beroep aan te tekenen tegen de mij op ......................................... betekende beslissing, uitgaande van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente ............................., waarbij mijn op ..................... ingediende verkavelingsaanvraag werd geweigerd.
Het betreft mijn eigendom gelegen te ........................ ............................. , sectie A, nr
De beslissing werd geformuleerd als volgt: ONGUNSTIG.
Het perceel is volgens de planologische voorzieningen van het K.B. dd 30.05.1978 vastgesteld gewestplan ...... .......... gelegen in een waardevol agrarisch gebied waarvoor art. 11.4.1. en 15.4.6.1 van het KB van 28.12.1972 van toepassing zijn. De aanvraag betreft het verkavelen voor woningbouw en is aldus strijdig met de bovenvermelde bepalingen.
N.B: het stedenbouwkundig attest nr 2 dd. 19.08.1992 is vervallen.
De weigering van mijn verkaveling aanvraag geeft blijk van een a priori afwijzing, zonder degelijke analyse van de toestand waarin ik mij van rechtswege bevind.
Ik moge er dan ook op wijzen:
- dat ik bij authentieke akte dd. 11 maart 1993 (zie afschrift in bijlage) een bouwgrond heb aangekocht, welke na registratie ervan werd overgeschreven op het kantoor der hypotheken, derhalve met tegenstelbaarheid aan derden.
- dat de beschrijving van de eigendom ontegensprekelijk een bouwgrond vermeldt, aldaar rechtsgeldig opgenomen op grond van de eveneens in deze akte vermelde stedenbouwkundige voorschriften.
- dat ik voor deze aangekochte bouwgrond in de gemeente algemene gangbare koopprijs heb betaald, verhoogd met de notariskosten en de registratierechten omvattende de totale kostprijs van ...................-F.
- dat in Belgie het eigendomsrecht zelf en de hoedanigheid van dit eigendomsrecht, in onderhavig geval impliciet een bouwgrond, wordt bewezen door de titel waarover ik rechtsgeldig beschik.
- dat ik deze titel heb verkregen voor de invoering van het decreet van 23 juni 1993 houdende opheffing van de opvulregel, en op grond van een door het College van Burgemeester en Schepenen geldig uitgereikt stedenbouwkundigattest nr 2 van 19 augustus 1992, waarop de door de notaris gevoerde publiciteit met de term" bouwgrond" was geoorloofd.
- Dat de authentieke akte werd verleden op 11 maart 1993, derhalve nog ruim voor het verval van de geldigheidstermijn van het bedoelde stedenbouwkundig attest nr 2.
- dat door het verleiden van de authentieke akte, binnen de geldigheidstermijn van het terzake uitgereikt stedenbouwkundig attest, een door de bepalingen van het burgerlijk wetboek beheerste juridische overeenkomst tussen partijen is tot stand gekomen, die het verval van het stedenbouwkundig attest opheft, vermits er door deze daad een begin van uitvoering is. Een bouwvergunning vervalt niet op basis van een begin van een technische uitvoering tijdens de geldigheidstermijn. Het is meteen duidelijk dat een aangegane authentieke verkoopverbintenis met rechtsgevolgen voor de partijen, op basis van een nog geldig stedenbouwkundig attest, inhoudt dat er een juridische uitvoering is en het stedenbouwkundig attest derhalve zijn geldigheid behoudt.
- dat geen enkel rechtsprincipe- in casu het principe dat een stedenbouwkundig attest nr 2 hoe dan ook, steeds vervalt na één jaar - absoluut is.
- dat zelfs geen fundamenteel rechtsprincipe, hoe gegrond ook, kan beoordeeld worden zonder rekening te houden met andere principes die, samen daarmee de grondslag van de nationale juridische orde vormen, en vandaar het evenwicht in de samenleving.
- dat hieruit volgt dat de draagwijdte van het principe van de eenjarige geldigheid van een stedenbouwkundig attest nr 2 moet beoordeeld worden binnen de juridische context van ons wettelijk stelsel, en in onderhavig geval, kan hieraan geen absoluut karakter worden toegekend vermits het tijdens zijn geldigheid aan de basis lag van een contractuele verkoop handeling tussen partijen met verdragende rechtsgevolgen op grond van de bepalingen van het burgerlijk wetboek. Deze rechtshandeling heft het verval op, zo niet wordt de openbare orde geschaad.
- dat het uitgereikte stedenbouwkundig attest nr 2 dd. 19 augustus 1992 noch de voor gedrukte tekst van het aanvraagformulier op generlei wijze melding maakt van het feit dat het niet tot grondslag mag dienen van een verkoop verbintenis.
- dat het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 ter zake dar evenmin melding van maakt.
- dat voornoemd koninklijk besluit in bijlage 1, opmerkingen, enkel vermeldt dat het geraden is, na een jaar te rekenen vanaf de datum van afgifte van dit attest, er een nieuw aan te vragen.
- dat deze raad enkel kon gericht zijn naar de verkoper, eigenaar van een perceel dat overeenkomstig de vormvereisten, oppervlakte en afmetingen, slechts als één bouwkavel kan worden beschouwd en waarvoor derhalve geen verkavelingsvergunning kan worden aangevraagd (bv kavel eengezinswoning 20 meter van de straat, 30, 40, 50, 60, of 70 meter diep).
- dat inderdaad uit de bepalingen van de gewijzigde wet van 29 maart 1962 een omschrijving van "een verkaveling" enkel kan luiden als volgt: één of meer aan elkaar palende percelen die deeigenaar wenst te verdelen in twee of meer loten met het oog op vervreemding voor er op te bouwen.
- dat overeenkomstig deze omschrijving een achter de bouwzone (achter de 50 meter diepte) gevormd deelperceel niet als een kavel kan worden beschouwd in de zin van voornoemde wetgeving.
- dat hieruit volgt dat voor alleen liggende eigendomspercelen, vormende een kavel om er op te bouwen, naar stedenbouwkundige normen, in rechte geen verkaveling vergunning kan worden aangevraagd zodat de eigenaars van deze percelen over geen ander middel beschikken dan de mogelijkheid van een stedenbouwkundig attest, wat overigens, ook algemeen in die gevallen wordt gedaan.
- dat de eigenaars van de desbetreffende percelen wettelijk gediscrimineerd worden vermits zij na verloop van amper een jaar een nieuw stedenbouwkundig attest nr 2 moeten aanvragen om de publiciteit tot verkoop van een bouwperceel te kunnen voeren.
- dat indien de bedoelde publiciteit op die basis zou verboden geweest zijn, hetgeen nergens bepaald wordt deze eigenaars in de onmogelijkheid zijn hun grond als bouwgrond te verkopen vermits de blijvende waarborg aan de koper niet kan worden gegeven.
- dat op grond van deze wettelijke principes, ook voor mijn bouwgrond (een kavel), door de verkoper een stedenbouwkundig attest nr 2 werd aangevraagd omdat naar de zin en de geest van de wet geen verkaveling vergunning kon worden aangevraagd, tenzij misschien met een kunstgreep wat naar verluidt menigmaal is voorgevallen en ingewilligd.
- dat ik nu ook naar dit bedoeld middel grijp (bijkomend tot landbouwgrond) om een verkaveling vergunning aan te vragen, inzonderheid om het ereloon voor het opmaken van een bouwplan te vermijden en de financiele ramp die ik en mijn gezin door deze weigering ondergaan, niet nog zwaarder te maken.
- dat ik op grond van de voornoemde argumentatie mag stellen een bouwgrond te hebben aangekocht waarop een woonhuis mag worden opgericht.
Mag ik u vragen mijn aanvraag en beroepsschrift aan een nieuw onderzoek te willen onderwerpen en mij de passende vergunning te verlenen.
Wil aanvaarden, Mijnheer de Gouverneur, de betuiging van mijn bijzondere hoogachting.
|